Adoptiegraf reserve-vaandrig Martinus Rom Colthoff
Ter herinnering aan reserve-vaandrig Martinus Rom Colthoff

In maart 2026 adopteerde ik het oorlogsgraf van reserve-vaandrig Martinus Rom Colthoff op de algemene begraafplaats in Dordrecht. Ik besloot dit te doen nadat ik voor mijn boek Oorlogsgraven op het Eiland van Dordrecht het verhaal van de jonge vaandrig had onderzocht. Lange tijd was wat er met Rom Colthoff was gebeurd in de vergetelheid geraakt, totdat ik in het Regionaal Archief Dordrecht een brief van de secretaris van Dubbeldam vond waarin werd beschreven wat er gebeurd was met de vaandrig. Het verhaal van vaandrig Rom Colthoff is een tragisch verhaal, en het is een van de hoofdstukken die op mij als schrijver de meeste indruk hebben gemaakt. Juist daarom koos ik ervoor zijn graf te adopteren, om zijn verhaal, hoe tragisch ook, levend te houden.

Over reserve-vaandrig Rom Colthoff
Martinus Rom Colthoff werd geboren op een donderdag, op 11 juli 1918 om precies te zijn. Hij werd geboren in Rotterdam als zoon van Isaac Amarentius Rom Colthoff en Cornelia Fransisca Lels. Het gezin telde drie kinderen. Martinus was de oudste van de drie. Hij had een broer, Cornelis Jan, en een zus, Jacoba Deliane. Het gezin woonde aan de Vredeman de Vriesstraat 31 in Leeuwarden. Martinus was goed opgeleid voor die tijd. Hij ging eerst naar de lagere school en haalde later een einddiploma aan de Rijks Hogere Burgerschool. Vervolgens ging hij op vrijwillige basis aan de slag bij een scheepvaartkantoor als kantoorbediende. Na een inwerkperiode zou hij in dienst komen van Smit’s Internationale Sleepdienst in Londen.
Zoals vele mannen van zijn leeftijd werd ook Martinus opgeroepen voor de dienstplicht. Hij werd ingelijfd bij het Regiment Wielrijders op 9 september 1937. Vanwege zijn diploma aan de RHBS werd hij al gauw bestemd voor de opleiding tot officier. Op 11 december 1937 werd Martinus bevorderd tot korporaal. Op 5 maart 1938 tot sergeant-titulair en op 1 januari 1939 tot reserve-vaandrig. Op 11 september 1939 werd Martinus overgeplaatst naar het 2e Regiment Wielrijders, wat onderdeel was van de Lichte Divisie.
Staat van dienst Reserve-Vaandrig Martinus Rom Colthoff
Hieronder vindt u de dienstplichtkaart en staat van dienst van Martinus Rom Colthoff.

Het uitbreken van de oorlog
Het 2e Regiment Wielrijders, zoals eerder vermeld onderdeel van de Lichte Divisie, was verspreid gelegerd over de provincie Noord-Brabant. De Lichte Divisie zou alleen de eerste oorlogsdag in Noord-Brabant verblijven en zich direct verplaatsen naar de Vesting Holland wanneer het uitbreken van de oorlog eenmaal een feit was. Het was de bedoeling dat de Lichte Divisie hierbij gebruik zou maken van de Moerdijkbruggen. Dit was op 10 mei 1940 echter onmogelijk vanwege de overrompeling van het Nederlandse bruggenhoofd bij Moerdijk door landingen van Duitse parachutisten. Een andere route was nodig.
Het bataljon van vaandrig Rom Colthoff was op 10 mei 1940 nog gelegerd in kamp Oirschot. Rond 09.30 uur werd afgemarcheerd richting de Vesting Holland. De route liep via Tilburg – Keizersveer – Gorinchem. Onderweg kreeg het bataljon de opdracht om een gedeelte van de noordelijke oever van de Merwede te bewaken. Die order werd omgezet in een opdracht om, als onderdeel van een gevechtsgroep van 2 R.W., zich meester te maken van de nieuwe brug over de Noord bij Alblasserdam. De 2e Compagnie echter, waar Rom Colthoff deel van uitmaakte, was op 10 mei 1940 bij Blerick gelegerd, achter de Maas bij Venlo. Twee secties van de compagnie kregen de opdracht om patrouilletaken uit te voeren, terwijl de overige twee secties aansluiting zochten bij de rest van het Ie bataljon in Oirschot. Volgens het verslag van 2e luitenant H. Kokkeel waren de 3e en de 4e Sectie belast met de patrouilletaken. Kapitein H. Govers, commandant van 2-I-2 R.W., spreekt in zijn verslag echter van de 2e en de 4e Sectie. De 4e Sectie stond onder bevel van vaandrig Rom Colthoff; echter, volgens het verslag van 2e luitenant H. Kokkeel was hij vrij van dienst en aanwezig op het compagniebureau in de nacht van 9 op 10 mei. Kapitein H. Govers stelt in zijn verslag het volgende:
“Daar ’s nachts door groepen werd gepatrouilleerd, waren bij vertrek uit Venlo alle sectiecommandanten aanwezig bij hun onderdeel 2-I-2 R.W.”
De auteur interpreteert dit als een aanwijzing dat de vaandrig zich niet bij zijn patrouillerende sectie bevond. Hoe dan ook, het was pas op 11 mei 1940 dat het grootste deel van de overige secties van 2-I-2 R.W. weer volledig bij het bataljon was ondergebracht, nadat sergeant Weijgers zich nog met tien man meldde. Hij was met zijn sectie bij Venlo over de Maas overgestoken en uiteindelijk alsnog in Alblasserdam aangekomen (vermoedelijk de 2e of 4e sectie).
Op 11 mei 1940 bevond het grootste gedeelte van de Lichte Divisie zich intussen ook in de Alblasserwaard en bij de brug over de Noord bij Alblasserdam. De divisie kreeg de opdracht om de brug over de Noord over te steken en door te stoten richting Rotterdam. Deze actie werd, na een aantal slachtoffers aan Nederlandse zijde, vrij eenvoudig opgegeven, waarna de Lichte Divisie een nieuwe opdracht ontving — één die in feite nog veel zwaarder zou blijken te zijn: het verband moest (een deel van zijn gevechtssterkte achterlatend bij de brug over de Noord) het Eiland van Dordrecht schoonvegen, om vervolgens via de Hoeksche Waard en de brug bij Barendrecht door te stoten richting Waalhaven.
Rond 14.00 uur op 11 mei 1940 kreeg I-2 R.W. de opdracht om via Papendrecht naar Dordrecht af te marcheren. 2-I-2 R.W. met zijn 1e en 3e Sectie werd even daarvoor gebombardeerd door vliegtuigen van de Luftwaffe, waarbij geen slachtoffers vielen. I-2 R.W. diende volgens opdracht zich onder bevel te stellen van de kantonnementscommandant, overste J.A. Mussert. In de nacht van 11 op 12 mei kwam 1-2 R.W. weer onder commando van de Lichte Divisie.
Het plan van de Lichte Divisie was als volgt: drie gevechtsgroepen, elk bestaand uit een wielrijdersbataljon en ondersteund door troepen uit de Groep Kil, zouden naast elkaar oprukken naar drie doellijnen. Pas als alle troepen de doellijnen behaald hadden, zou worden opgerukt naar de volgende doellijn. I-2 R.W. onder majoor Eggens vormde de linkergroep, III-2 R.W. onder bevel van majoor Van den Bosch de middelste groep, en II-1 R.W. onder majoor Kloppenburg de rechtergroep. II-2 R.W., het vierde wielrijdersbataljon, werd aanvankelijk in reserve geplaatst. De compagnie van vaandrig Rom Colthoff werd ingedeeld bij III-2 R.W. De compagnie moest via de Stevensdijk richting de Zeedijk oprukken. Hierbij bereikte de 3e Sectie van 2-I-2 R.W. het kruispunt Schenkeldijk–Zeedijk. Dit werd spoedig weer ontruimd wegens artillerievuur op die positie, waarna 3-2-I-2 R.W., inmiddels onder bevel van luitenant Kokkeel, een eigen opdracht kreeg.
Intussen was vaandrig Rom Colthoff bij de 3e Sectie ingedeeld. Kapitein H. Govers:
“Nadat het kruispunt Zeedijk-Schenkeldijk in den avond van 12 mei weer was verlaten, is 2-I-2 R.W. in twee delen gesplitst. Toen ik, na mij bij C-I-2 R.W. te hebben gemeld, weer bij mijn onderdeel, dat zich langs de kant van de weg bevond, terugkwam, was daarvan alleen nog aanwezig de 1e sectie onder de Lt. Lugte (en de commandogroep) waarmee ik me weer begeven heb naar III-2 R.W. Ik vernam dat de 3e sectie een speciale opdracht gekregen had en volgens mij bevonden zich toen bij deze sectie zoowel de vaandrigs Bierens en Rom Colthoff, alsook de Lt. Kokkeel, die zich met eenige overige manschappen van 2-I-2 R.W. kort te voren op de commandopost van C-I-2 R.W. had gemeld.”
Omstreeks 22.00 uur kreeg vaandrig Rom Colthoff van luitenant Kokkeel de opdracht om een wachtpost te betrekken in de buurt van de Achterweg. Toen de luitenant later in de avond de uitgezette wachtposten inspecteerde, bleek de vaandrig niet teruggekomen te zijn van een verkenning. De vaandrig was op eigen initiatief de weg voor de wachtpost gaan verkennen, en toen luitenant Kokkeel zich een halfuur later liet informeren door een ordonnans, was de vaandrig nog steeds niet teruggekeerd. Gedurende de meidagen bleef vaandrig Rom Colthoff vermist; niemand wist wat er met hem gebeurd was.

Een einde aan de onzekerheid
Nog weken na de meidagen van 1940 bleef de jonge vaandrig vermist. Zijn vader deed verwoede pogingen om achter het lot van zijn zoon te komen. Zo schreef hij op 1 juli 1940 een brief naar de commandant van het 2e Regiment Wielrijders om het pistoolnummer van zijn zoon te achterhalen. Ook had hij contact met enkele militairen die beschreven dat zij met de vaandrig op patrouille waren gegaan en elkaar waren kwijtgeraakt nadat ze moesten schuilen voor oprukkende Duitse pantserwagens. Vader Rom Colthoff schreef het volgende in het persoonsdossier van de Oorlogsgravenstichting betreffende zijn zoon:
“Door iedereen in den steek gelaten, heeft hij tenslotte geheel alleen een poging gedaan om langs een achterweg van Dubbeldam naar Dordrecht te komen. Is daarbij door een Duitschen soldaat, die achter een boom stond, in de lies geschoten. Is toen van zijn fiets gestapt of gevallen en een woning binnengegaan. Vlak daarop verscheen een Duitse pantserauto, die het huis in brand schoot. De bewoners konden nog net ontsnappen, maar mijn zoon is in vlammen opgegaan.”

Tijdens het onderzoek naar zijn zoon had vader Rom Colthoff contact met de secretaris van de gemeente Dubbeldam. Deze secretaris, de heer M.G. Rietveld, deed onderzoek naar de kwestie en stelde vast hoe vaandrig Rom Colthoff aan zijn einde was gekomen. Een citaat uit zijn rapport:
“Door mij is op verzoek van de familie, in de weken na 14 mei 1940 een onderzoek ingesteld naar de verblijfplaats of het graf van den vaandrig M.Rom Colthoff van 2 R.W. Na langdurige pogingen en vele verzoeken om inlichtingen in Dubbeldam en Dordrecht en omliggende gemeenten, kreeg ik eindelijk omstreeks half juni 1940 een draad in handen. Mij kwam toen ter oore dat in een woning aan den Achterweg te Dordrecht op de grens van Dubbeldam in de oorlogsdagen een gewonde onderofficier zou zijn binnengevlucht en die zich in deze woning zou hebben doodgeschoten. De woning was daarna door beschieting in brand geraakt en het geheel verkoolde lijk van dezen onderofficier was later door de zorgen der Dordtsche politie weggehaald en ter aarde besteld op de algemeene begraafplaats aldaar. Ik heb mij toen in verbinding gesteld met de Dordtsche politie en mij bleek dat een en ander werkelijk juist was. Ter zelfder tijd kon door mij uit gegevens, die mij door den vader van Rom Colthoff en anderen werden verstrekt, worden gereconstrueerd, welke weg de vaandrig tot het laatste oogenblik voor zijn dood heeft gevolgd. Deze weg leidde ontwijfelbaar naar de bewuste woning aan den Achterweg. Mij was ook bekend geworden dat vele officieren en onderofficieren op den laatsten oorlogsdag de distinctieven van hun uniform hadden verwijderd, zoodat zeer goed mogelijk was, dat men den vaandrig, die buiten-model uniform bezat, voor onderofficier had aangezien. In samenwerking met den Inspecteur van Politie H.B. Brukker te Dordrecht heb ik daarop de beide bewoners van het huis aan den Achterweg, waarin Rom Colthoff was gevlucht, gehoord. Aan de hand van twee duidelijke foto’s van den vaandrig, herkenden zij beiden pertinent en zonder enige aarzeling in den vaandrig op het portret den militair die op 13 mei 1940 gewond hun woning was binnengevlucht. Zij deelden verder mede, dat hun woning toen reeds onder vuur lag van een pantserwagen, zoodat zij op den vloer moesten gaan liggen. De vaandrig, die wanhopig was, heeft zich in een andere kamer met zijn revolver van het leven benomen, ondanks het feit dat zij gepoogd hebben hem daarvan te weerhouden. De woning is kort daarna in brand geschoten, waarop de bewoners de vlucht hebben moeten nemen, met achterlating van het lijk. Doordat hij geen distinctieven droeg, hadden zij hem aanvankelijk aangezien voor een onderofficier, maar nu zij de foto zagen, herkenden zij hem zonder eenige twijfel. De politie te Dordrecht had geconstateerd dat het lijk door de verbranding geheel was verkoold en totaal onherkenbaar was.

Zo kwam er op 4 juli 1940 eindelijk een einde aan alle onzekerheid. Vaandrig Rom Colthoff was geïdentificeerd aan de hand van zijn pistoolnummer en het onderzoek van dhr. Rietveld. Hij raakte vermist in de nacht van 12 op 13 mei 1940. Zijn stoffelijk overschot werd teruggevonden in het afgebrande huis aan de Achterweg, waarna hij een veldgraf kreeg in de tuin. Op 16 mei 1940 werd hij als onbekende herbegraven op de algemene begraafplaats in Dordrecht in rij 5, graf 9. Na de oorlog, op 22 oktober 1948, werd hij opnieuw herbegraven in rij 3 – graf 10. Hier rust hij tot op heden, onder een steen die zijn naam draagt: M. Rom Colthoff, Res. Vaandrig 2-I-2 R.W.
Adopteren van een oorlogsgraf

Overal in Nederland liggen oorlogsgraven. Dat kunnen Nederlandse oorlogsgraven zijn, maar ook oorlogsgraven van geallieerde soldaten. In sommige gevallen komen deze oorlogsgraven in aanmerking voor adoptie. Zo zijn er veel scholen die oorlogsgraven adopteren maar ook voor particulieren is het mogelijk. De adoptie van een oorlogsgraf houdt in dat dat de adoptant af en toe een bezoek brengt aan het graf en het graf van bloemen voorziet. Ook wordt het zeer op de prijs gesteld als de adoptant zich verdiept in de geschiedenis en het verhaal van de gesneuvelde militair. Op de website van de Oorlogsgravenstichting is het mogelijk om dit verhaal te plaatsen. Aan de adoptie van een oorlogsgraf zijn geen kosten verbonden. Wilt u meer weten over het adopteren van een oorlogsgraf? Raadpleeg dan de website van de Oorlogsgravenstichting-Adoptie . Voor meer informatie over de oorlogsgraven in de regio Dordrecht verwijs ik u graag naar de lijst van oorlogsgraven in de regio Dordrecht op deze website, en mijn boek: Oorlogsgraven op het Eiland van Dordrecht. (Te bestellen via www.boekenbestellen.nl ) De lijst bevat alle oorlogsgraven in de regio Dordrecht met nadere verwijzingen naar de sneuveltoedracht van de betreffende militairen. U vindt de lijst hier: Oorlogsgraven regio Dordrecht .
